19-11-2014 Planschade 5e baan Schiphol
29-10-2014 Vergoeden planschadebeperkende maatregelen
29-10-2014 Klein gebouwtje is niet 15 meter hoog.
15-10-2014 Planschaderisicoanalyse is geen richtlijn schadevergoeding
06-08-2014 Streekplan is voldoende voor voorzienbaarheid
25-06-2014 Onthouden goedkeuring beïnvloedt voorzienbaarheid niet.
16-04-2014 Maximale mogelijkheden bepalen planschade, niet huidige invulling.
13-02-2013 Gebouwfunctie niet bepalend voor planschade
23-01-2013 Belanghebbende door vernietiging koopcontract
19-12-2012 Informatiebijeenkomst telt niet als voorzienbaarheid
28-11-2012 Het belang van de juiste rapportage/ taxateur
28-11-2012 Ontheffingsmogelijkheden tellen niet mee voor planschade
28-11-2012 De RvS oordeelt dat de gemeente Leudal de claim niet voldoende heeft weerlegd
07-11-2012 Verwijzing naar gepubliceerde begroting is geen beleidsvoornemen
07-11-2012 Een nog uit te werken bestemming mag niet als oud planologisch regime worden aangemerkt
07-11-2012 Bij gesloten overeenkomst voor de wetswijziging, geldt de oude wet
17-10-2012 Een tijdens een raadsvergadering behandeld beleidsvoornemen dient gepubliceerd te worden wil het voorzienbaar zijn
17-10-2012 Voorbereidingsbesluiten zijn voldoende om voorzienbaarheid toe te kennen
10-10-2012 Wijze van rechtsopvolging bedrijf is bepalen voor voorzienbaarheid en dus planschade
19-09-2012 Ontwikkelingsvisie telt als voorzienbaarheidsfactor
29-08-2012 Nota wel voorzienbaar
29-08-2012 Geen planschade omdat aanvraag te beperkt is
29-08-2012 Inperken van planologische mogelijkheden leidt eveneens tot planschade
22-08-2012 Moeite doen om stukken bovenwater te krijgen heeft geen invloed op de voorzienbaarheid
19-01-2011 Kosten deskundigen niet altijd vergoed

Belanghebbende door vernietiging koopcontract


23-01-2013

De gemeente Berkelland oordeelde dat de bewoners geen recht hadden op planschade, omdat zij op de peildatum hun woning hebben verkocht. Ondanks het feit dat de koopovereenkomst later vernietigd werd, hield de gemeente voet bij stuk, ook nadat de rechtbank in Zutphen de bewoners gelijk had gegeven en de gemeente had veroordeeld tot het betalen van planschade.

De Raad van State stelt, dat de houding van de gemeente onterecht was, de vernietiging van een overeenkomst heeft terugwerkende kracht. De bewoner had dus als rechthebbende moeten worden aangemerkt.


201202448/1/A2.
Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Neede, gemeente Berkelland,
2.    het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 februari 2012 in zaak nr. 11/267 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 februari 2011 vernietigd, het besluit van 23 februari 2010 herroepen en bepaald dat aan [appellant] een planschadevergoeding van € 84.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2009, wordt toegekend en deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

    Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.    [appellant] is op 16 november 1998 eigenaar geworden van de percelen aan de Peppelendijk, kadastraal bekend gemeente Neede, sectie C, nummers 7766, 7767 en 8144 (hierna: de percelen). Op 8 april 2000 heeft hij de percelen aan [bedrijf]. Bij notariële akte van 9 mei 2000 zijn de percelen aan [bedrijf] geleverd.

    Nadat was komen vast te staan dat het niet mogelijk was de percelen als industriegrond te gebruiken, heeft [bedrijf] een beroep op wederzijdse dwaling, als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek gedaan en de koopovereenkomst bij buitengerechtelijke verklaring vernietigd. [appellant] heeft in de vernietiging berust. Bij notariële akte van 2 november 2009 zijn de percelen aan [appellant] teruggeleverd. Voorts is de destijds door [bedrijf] aan [appellant] betaalde koopprijs van € 136.134,06 door [appellant] aan [bedrijf] terugbetaald.

3.    Bij brief van 5 november 2009 heeft [appellant] het college verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een herziening van een bestemmingsplan. Bij die herziening, die op 4 november 2004 (hierna: de peildatum) in werking is getreden en op 20 april 2005 onherroepelijk is geworden, zijn de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de percelen gewijzigd.

4.    Aan het besluit van 23 februari 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat, gezien een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), de waarde van de percelen als   gevolg van de planologische verandering weliswaar op de peildatum met € 84.000,00 is gedaald, maar dat [appellant] op de peildatum niet de eigenaar van de percelen was, zodat hij geen belanghebbende in de zin van artikel 49 van de WRO is. In het besluit van 22 februari 2011 heeft het college daaraan toegevoegd dat de teruglevering van de percelen, bij notariële akte van 2 november 2009, niet met zich brengt dat [appellant] met terugwerkende kracht eigenaar van de percelen is geworden.

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2001 in zaak nr. C99/208HR (LJN: AB1059) heeft overwogen dat, nu de vernietiging van de koopovereenkomst op grond van artikel 3:53 van het Burgerlijk Wetboek   terugwerkende kracht heeft en de percelen daardoor in goederenrechtelijke zin worden geacht het vermogen van de vervreemder nimmer te hebben verlaten, [appellant] altijd eigenaar van de percelen is gebleven. Het college voert aan dat [bedrijf] de percelen op 2 november 2009 heeft teruggeleverd en dat de eigendom van de percelen niet eerder dan op die dag op [appellant] is overgegaan als gevolg van het beroep op wederzijdse dwaling, als bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

5.1.    In beginsel heeft de vernietiging van de koopovereenkomst tot gevolg dat de rechtsverhouding tussen de partijen wordt hersteld in de staat waarin deze vóór het aangaan van de overeenkomst was. Indien partijen reeds uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, komt de rechtsgrond voor de prestaties door de vernietiging te vervallen. De prestaties zijn - achteraf bezien - onverschuldigd verricht en dienen ongedaan gemaakt te worden. Dit betekent dat de reeds betaalde koopsom voor de onroerende zaak als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd. Voor de verkrijger van de reeds geleverde onroerende zaak houdt de ongedaanmakingsverplichting in dat hij de onroerende zaak in het bezit van de vervreemder doet terugkeren. De wet (artikel 3:53, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) verbindt aan de vernietiging terugwerkende kracht. Dit betekent dat een geldige titel voor de overdracht van meet af aan heeft ontbroken en dat de onroerende zaak het vermogen van de vervreemder nimmer heeft verlaten.

    Dat [bedrijf], na vernietiging van de overeenkomst, de percelen op 2 november 2009 heeft teruggeleverd, betekent dus dat [appellant] eigenaar van de percelen is gebleven en dat ook ten tijde van de peildatum was.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, zelf voorziend in de zaak, ten onrechte onder verwijzing naar het advies van de SAOZ de schade op € 84.000,00 heeft begroot. Hij voert aan dat de planschade aldus op een te laag bedrag is vastgesteld en dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld een deskundigenrapport over te leggen.

6.1.    In het advies van de SAOZ is uiteengezet dat en waarom de waarde van de percelen als gevolg van de planologische wijziging op de peildatum van € 98.000,00 naar € 14.000,00 is gedaald. In het hogerberoepschrift zijn geen redenen aangevoerd waarom dit onderdeel van het advies onjuist of onvolledig zou zijn. Voorts heeft [appellant] geen deskundigenrapport overgelegd om dit onderdeel van het advies gemotiveerd te weerspreken. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit onderdeel van het advies ten onrechte aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd.

    Het betoog faalt.

7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Hazen
voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2013



Bron: raadvanstate.nl