05-03-2013 Een planschadeprocedure starten na een schadevergoeding?
02-01-2013 Planschade bij een verhuurde bedrijfsruimte
04-12-2012 Het normaal maatschappelijk risico binnen het planschade recht

Het normaal maatschappelijk risico binnen het planschade recht


04-12-2012

In artikel 6.2 Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat aangegeven dat planschade, die valt binnen het normaal maatschappelijk risico, voor rekening van de aanvrager blijft. Met het ‘normaal maatschappelijk risico” is nog weinig ervaring opgedaan. Deze ontwikkeling is belangrijk voor het planschaderecht. Om deze reden wordt in deze bijdrage, mede naar aanleiding van een eerste belangrijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierop ingegaan.

Na de inwerkingtreding van de nieuwe Wro wordt onder andere gekeken naar het normaal maatschappelijk risico om vast te stellen of een betrokkene recht heeft op vergoeding van planschade. De uitspraak van de Afdeling is opvallend in vergelijk tot de jurisprudentie van de afgelopen twee decennia. De Afdeling oordeelde namelijk in deze zaak dat, om het normaal maatschappelijk risico vast te stellen, gekeken dient te worden naar ‘alle van belang zijnde omstandigheden van het geval’. Hierbij dient gekeken te worden naar hetgeen ‘in de lijn der verwachtingen’ lag. Men kan hierbij denken aan het wonen in een binnenstad, nabij een dijk of aan de rand van een stad. Mogelijk zal de Afdeling in toekomst in dergelijke gevallen spreken van schade die “in de lijn der verwachtingen” ligt. De Afdeling heeft in deze uitspraak duidelijk uiteengezet welke omstandigheden een rol spelen bij het bepalen of er sprake is van schade “in de lijn der verwachtingen”. Zo dient (1) de nieuwe bebouwing aan te sluiten op de bestaande structuur van de omgeving, en/of (2) de ruimtelijke ontwikkeling, zoals die wordt uitgedrukt in het bouwplan, te passen binnen het ruimtelijke beleid van de gemeente, en/of (3) de vraag beantwoord te worden of de schade het gevolg is van een ‘normale maatschappelijke ontwikkeling’.


Een beschouwing naar aanleiding van een uitspraak de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) 29 februari 2012, LJN BV7254 (Vugts).


De normaal maatschappelijk risico-toets
Voorheen was het ondenkbaar dat planschade (deels) voor eigen rekening kwam. In de nieuwe op 1 juli 2008 in werking getreden Wet op de ruimtelijke Ordening (Wro) is dit geheel anders. Het nieuwe uitgangspunt is niet langer dat planschade in beginsel moet worden vergoed, maar dat zij in beginsel voor rekening van de getroffene moet blijven. Net als bij schade door ander rechtmatig overheidsoptreden, is het normaal maatschappelijk risico een gebruikelijke schadevergoedingsdrempel in het planschaderecht. Voor gemeenten, burgers, ondernemers, planschadeadviseurs en rechters geldt dat zij het normaal maatschappelijk risico moeten betrekken bij hun oordeelsvorming inzake planschadevergoedingen. Het zal ongetwijfeld tot veel jurisprudentie leiden hoe het normaal maatschappelijk risico toegepast dient te worden. De wetgever heeft namelijk maar weinig houvast gegeven welke maatstaven er gelegd dienen te worden bij de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico in geval van planschades. Om de praktijk enige houvast te bieden geeft het tweede lid van artikel 6.2 Wro aan dat bij indirecte planschade de schade ten gevolge van waardedrukkende ontwikkelingen in de omgeving in ieder geval 2% van de waarde van de onroerende zaak voor rekening van de benadeelde zelf blijft. Bij inkomensschade gaat het om 2% van het inkomen. De regeling heeft een tamelijk kritische receptie gekend.[1] Juristen hadden voornamelijk kritiek op de hoogte van het forfait. Eerst was het forfait vastgesteld op 10% en vervolgens op 5%. Ondanks dat het forfait nu op 2% is gesteld, bestaat er nog steeds kritiek. Zo betogen Van Ettekoven en Dijkshoorn dat dit percentage onrealistisch laag is, waardoor taxateurs de schade kunnen ‘wegtaxeren’ in de beoordeling omtrent de mate van geleden planschade. Daarnaast zou de wet te weinig houvast hebben gegeven hoe in de praktijk omgegaan dient te worden met forfait.[2]  Het forfait zou volgens hen moeten worden geschrapt. Dit is een van de vragen die spelen rondom de invoering van het normaal maatschappelijk risico in het planschaderecht. Een andere vraag die gesteld kan worden, is of er nog wel ruimte is voor het forfait na de inwerkingtreding van een algemene nadeelcompensatieregeling in de Awb. Tjepkema is van mening dat vastgehouden dient te worden aan het forfait, omdat er anders rechtsonzekerheid kan optreden.[3]
 
De uitspraak Vugts
Vugts is eigenaar van een woning in Berkel-Enschot. Tot op grote hoogte heeft hij vrij uitzicht tot dat de gemeente in 2008 vrijstelling verleent voor de bouw van een woonhuis met een garage. Vugts had planschade opgelopen, nu hij door de bouw van de woning met garage verlies had van uitzicht, lichtinval en bezonning en inbreuk was gemaakt op zijn privacy. Vugts diende derhalve een verzoek tot planschadevergoeding in. Volgens de Stichting Advisering Onroerende Zaken (SAOZ) was de woning van Vugts € 6.000,- minder waard geworden. De gemeente had met de buren ten behoeve van wie de woning werd gebouwd, afgesproken dat zij de eventuele planschade zouden dragen. De rechtbank oordeelde dat de schade echter niet kan worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling, zodat een aftrek op grond van het normaal maatschappelijk risico niet aan de orde zou zijn. Uiteindelijk voorzag de rechtbank zelf in de zaak door de planschadevergoeding vast te stellen op € 3.000,-. Tegen deze uitspraak gingen de buren en het college van B&W in hoger beroep. De buren waren van mening dat de rechtbank onterecht betoogde dat er geen sprake was van een normaal maatschappelijk risico. De Afdeling oordeelde dat Vugts geen risicoaanvaarding kon worden tegengeworpen, omdat er ten tijde van de aankoop van de woning geen concreet beleidsvoornemen aanwezig was. Vervolgens overwoog de Afdeling dat de vraag, of er in casu sprake was van een normaal maatschappelijk risico, beantwoord moet worden met inachtneming van ‘alle van belang zijnde omstandigheden van het geval’. Zij geeft hierbij aan dat het daarbij onder meer van belang is of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden. Hierbij is het van belang dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze planschade veroorzakende ontwikkeling zich zou voordoen. De omstandigheden die in acht worden genomen voor het al dan niet toekennen van planschade, zijn de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel. De Afdeling oordeelde uiteindelijk dat het ‘in de lijn der verwachtingen’ lag dat omwonenden met de onderhavige planologische ontwikkeling zouden kunnen worden geconfronteerd, omdat de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie. Volgens de Afdeling is in de omgeving sprake van percelen met een woonbestemming en dat de bebouwing goed paste in het karakter van de buurt. Ook naar de aard en omvang is in deze zaak sprake van een normale planologische ontwikkeling. Hierbij werd gekeken naar de afmetingen van het object, de reeds bestaande bouwmogelijkheden en de afstand tot de woning. Hiermee sloot de afdeling de weg naar het succesvol indienen van een verzoek tot planschadevergoeding.
 
Commentaar in de literatuur
In de literatuur wordt kritisch gereageerd op deze uitspraak. Zo merkt Tjepkema op dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen ‘voorzienbaarheid’ en ‘lijn der verwachtingen’ [4] in het planschaderecht. Bij het leerstuk van de risicoaanvaarding gaat de Afdeling in op de situatie dat een benadeelde kan worden verweten riskant te hebben geïnvesteerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de koper op de hoogte was van een beleidsvoornemen. Vervolgens gaat de Afdeling in op “de lijn der verwachtingen”. Hierbij wordt gekeken of de schade voor rekening van de benadeelde wordt gelaten op grond van ‘ervaringsregels’ waarmee een planschadevergoeding wordt uitgesloten. Men kan hierbij denken aan het wonen in een binnenstad, nabij een dijk of aan de rand van een stad. Mogelijk zal de Afdeling in de toekomst in dergelijke gevallen spreken van schade die “in de lijn der verwachtingen” ligt.
 
De ‘lijn der verwachtingen’
Dit criterium vormde echter geen drempel voor een vergoeding, waardoor het criterium van “risicoaanvaarding” daarvoor in de plaats kwam. Door deze uitspraak lijkt het criterium “in de lijn der verwachtingen” terug van weggeweest. De Afdeling heeft in deze uitspraak duidelijk uiteengezet welke omstandigheden een rol spelen bij het bepalen of er sprake is van planschade “in de lijn der verwachtingen”. Zo dient (1) de nieuwe bebouwing aan te sluiten op de bestaande structuur van de omgeving, en/of (2) de ruimtelijke ontwikkeling, zoals die wordt uitgedrukt in het bouwplan, te passen binnen het ruimtelijke beleid van de gemeente, en/of (3) de vraag beantwoord te worden of de schade het gevolg is van een ‘normale maatschappelijke ontwikkeling’ en daarmee geen planschade is in de zin van 6.2 Wro. Hierna zal worden ingegaan op het element ‘structuur van de omgeving’.
 
Volgens Tjepkema maakt het element ‘structuur van de omgeving’ duidelijk dat in de planschadezaken meer dan voorheen betekenis zal toekomen aan de sociale functie van eigendom.[5] Volgens Van den Broek bestaat er een onlosmakelijke verbondenheid tussen de omgeving en de waarde en de gebruiksmogelijkheden van het eigen perceel. Volgens Van den Broek is het risico dat een eigenaar van een onroerende zaak planschade ondervindt van een wijziging van het gebruik van percelen in zijn omgeving, inherent aan het bijzondere karakter van de eigendom van de onroerende zaak.[6] Hieruit kan opgemaakt worden dat in een planschadeanalyse allereerst gekeken dient te worden naar het bestaande ruimtelijke gebruik om te bepalen welke nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in “de lijn der verwachtingen” liggen. De term laat ruimte open voor interpretatie, waardoor per casus bekeken zal dienen te worden of het een planschadevergoeding in de weg staat. Mijn inziens kan dit leiden tot rechtsonzekerheid.
 


Mr. R. van Domselaar (Planschade jurist)


[1] Zie hierover M.K.G. Tjepkema, ‘Planschade als maatschappelijk ongemak?’, Tijdschrift voor Bouwrecht, nr. 5 mei 2012, p. 462.
[2] Van Ettekhoven 2011, p. 15-18 en W. Dijkshoorn, ‘Over de problemen die ‘in ieder geval’ en ‘twee procent’ in artikel 6.2 Wro met zich brengen en hoe deze problemen kunnen worden opgelost’, Gst. 2011/93 en W. Dijkshoorn, Planschade en privaatrechtelijk schadevergoedingsrecht (diss. EUR), Den Haag: BJU 2011, p. 166 – 168.
[3] M.K.G. Tjepkema, ‘Planschade als maatschappelijk ongemak?’, Tijdschrift voor Bouwrecht, nr. 5 mei 2012, p. 462.
[4] M.K.G. Tjepkema, ‘Planschade als maatschappelijk ongemak?’, Tijdschrift voor Bouwrecht, nr. 5 mei 2012, p. 463.
[5] M.K.G. Tjepkema, ‘Planschade als maatschappelijk ongemak?’, Tijdschrift voor Bouwrecht, nr. 5 mei 2012, p. 465.
[6] G.M van den Broek, Planschadevergoeding. Het recht op schadevergoeding bij wijziging van het planologische regime (diss. UU), Deventer: Kluwer 2002, p. 242.



Bron: planschadeinstituut.nl